Walkura, klik voor startpagina. Walkura, klik voor startpagina.
SmogenZweden.jpg

De immer durende golf beweging van de geschiedenis.

Op enig moment kwam het boek van Geert Mak "Gedoemd tot kwetsbaarheid" aan mijn lees neiging voorbij. Dit boek is geschreven in een reactie op de moord op Theo van Gogh, met daarin een beeld van onze huidige samenleving. Door middel van een historische beschrijving van de Nederlanden, met de nadruk op de tegenstelling tussen het secularisme en het religieuze wereldbeeld, legt hij uit dat de relatie tussen die twee onder druk is komen te staan. Dit uit zich onder meer in het opleven van allerlei religieus fundamentalisme. Niet alleen in de christelijke hoek, maar zeker ook in de islamitische religie binnen en buiten de Nederlandse samenleving. Dat deze religieuze opleving om zich heen grijpt is af te lezen in het straatbeeld aan diverse uitingsvormen van kleding en haardracht. Dit gegeven wordt ook wel occidentalisme genoemd.
Naar mijn mening zijn dit de uitingsvormen van de zoekende mens naar een soort geborgenheid binnen de maatschappij waarin we leven. Het gevolg van de moderne anonieme en in naam democratische staat, die op kapitalistische wijze met zijn burgers omgaat. De burger is niet het onderwerp van de staat waar het om draait maar het middel waar de staat zich van bedient, althans zo voelen vele burgers het. Het begrip staat mag hier overigens zeer ruim geïnterpreteerd worden, bankiers, captains of industrie en andere bonzen behoren hier nadrukkelijk bij. De modale burger heeft niet het idee dat hij enige inbreng heeft of dat er iets voor hem wordt gedaan. In zijn ogen worden vele leefomstandigheden en verworvenheden zo langzamerhand prijs gegeven. Werk, gezondheidszorg, milieubeheer en onderwijs worden wegbezuinigd ten behoeve van 's land begroting. Daar bovenop worden vaste waarden in de toch redelijk conservatieve mensengeest in rap tempo opgeofferd aan de vooruitgang en het vage 'markt werking'.
De ontheemding van de maatschappij is dus niet alleen iets voor de allochtonen maar ook zeker voor de autochtone burgers. Het is in dit licht bekeken dan ook geen wonder dat het nieuwe fundamentalisme kan toeslaan. In de nabije toekomst moet het westen zich profileren als vrij en er voor zorg dragen dat alle burgers zich veilig en redelijk geborgen voelen. Hier horen uiteraard waarden van goed fatsoen bij waar binnen een ieder zijn leven kan vorm geven, met de door hem of haar gewenste religie. Als een staat niet bij machte is zijn burgers het gevoel te geven dat ze als lid van de natie er bij horen dan kweekt men extremisme die de samenleving zal gaan ontwrichten.
Ooit stond er in Europa een dergelijk dilemma op het programma, aan het eind van de Romeinse bezetting en de daarop volgende machtsovername door Germaanse groepen. In deze tijd werd het christendom geïnstalleerd, maar dit gebeurde niet uit een vlammende geloofsovertuiging maar als werktuig voor de toenmalige heersende klasse. Koningen zochten en vonden een middel om meer greep op de bevolking te kunnen krijgen, tot na de dood in plaats van tot aan de dood!
Tevens werd er met het opzetten van de kerkelijke hiërarchie een netwerk van spionnen en kerkelijke beambten opgezet, die dichtbij de bevolking stond en die de onderdanen konden manipuleren.
De opkomst van het christendom is dus niet uniek, het is net als de islam een totalitaire religie die als werktuig dient in een samenleving. Wat is een religie? Ieder mens worstelt met vragen over de onzekerheden betreffende het leven. Ondanks de wetenschap zullen er altijd vragen blijven, deze onzekerheden worden ingebed in een religie die de mens een structuur biedt en normen van gedrag, het geeft onze plaats aan in het universum en antwoorden op vragen over dood en leven. In principe geldt voor alle religies hetzelfde alleen kan de benadering verschillend zijn, maar dat is een kwestie van geloof.
Over het algemeen zijn meer goden religies toleranter naar concurrenten toe dan de mystieke enkel Gods religies zoals het christendom en de islam, beide godsdiensten kunnen bogen op vele uitspattingen van intolerantie onder een sausje van heilige oorlog! In een dergelijk systeem wordt de gelovige gedwongen tot daden die de menselijkheid ver overschrijdt in naam van de allerhoogste.
In tijden van extreme spanningen op welk gebied dan ook politiek, oorlogen of milieu, richt de mensheid zich weer massaal op het geloof. Soms is het een bewust herwaarderen van de oude religie, of er komt een geheel nieuwe religie in zicht. De Egyptische farao Echnaton introduceerde de zonnecultus terwijl keizer Augustus omstreeks het begin van de jaartelling zijn oude religie eens flink oppoetste en uitbreide. De religie is geen vast begrip maar vloeit mee met de geschiedenis van de mensheid, steeds weer veranderend naar de eisen van de tijd. Dit gegeven zal in de toekomst niet anders zijn.

De Klimatologische terugslag en zijn invloed op de wereld.

Zoals verondersteld mag worden hangt de gang van de geschiedenis nooit zomaar in de lucht, maar is een proces van reactie en actie, en dan niet alleen op gebeurtenissen door de mens geïnitieerd. Een van de belangrijke factoren die de daden van de mens beïnvloedt vormt het klimaat. Tussen de 3e en 9e eeuw vond er een terugslag in het klimaat plaats over de gehele wereld. Rond de Middellandse zee werd het veel droger terwijl het in noord en west Europa juist natter werd met veel extremen in wind en langere winter perioden. De gevolgen hiervan trekken een zware wissel op de gang van zaken in het Romeinse Rijk. Dit rijk was afhankelijk geworden van graan toevoer uit de veroverde gebieden, voornamelijk Noord Afrika was de graanschuur van het rijk geworden. In de miljoenen stad Rome was men totaal afhankelijk van deze voortdurende aanvoer van graan, een tijdelijke stagnatie hiervan leidde vaak tot een tekort aan voedsel.
Door jarenlang, steeds langere droogte periodes viel deze functie helemaal weg. Tot in onze tijd zijn de mogelijkheden van graanverbouw in dit gebied beperkt.
Een binnen Italië gangbare gewoonte van de rijke bovenlaag der bevolking zorgde er voor dat de situatie niet meer zo maar kon worden opgelost, namelijk de gewoonte om plaatselijke boeren uit te kopen, of de kleinere boeren geld te lenen tegen woeker rentes en daarna het land in te pikken voor hun grote landgoederen, waaraan de mede rijken konden zien hoe belangrijk en succesvol zij waren. Op deze wijze was het uitoefenen van een klein en middel groot boeren bedrijf binnen het Italiaanse deel, het kern- deel van het Romeinse Rijk, niet meer mogelijk. En kon dat gebied dus ook niet meer ingeschakeld worden in de leniging van de honger in Rome. De meeste kleine boeren werden gedwongen te verhuizen naar de stad der steden; Rome, of om in de veroverde gebieden opnieuw te beginnen, maar daar kwam door het gebrek aan middelen vaak niets van.
Buiten de vermelde hongersnoden, was er nog een ernstig gevolg binnen het Romeinse Rijk, namelijk een enorme inflatie en prijs stijgingen voor de eerste levens behoefte.
In het noorden van het Rijk was de situatie door deze klimatologische terugslag ook moeilijker aan het worden, het werd er veel natter en het groeiseizoen werd door de langere en strengere winter veel korter. Bovendien teisterden zware slagregens en late nacht vorsten veelvuldiger de gewassen. De onrust binnen het Rijk werd groter, gemor, opstanden en politieke crisis waren het voorspelbare gevolg, uitmondend in burgeroorlogen. De onrust was direct een gevolg van de slechte voedsel situatie en de daaruit voort komende slechte gezondheidstoestand. Voornamelijk in de steden braken epidemieën uit. In deze wanordelijke situatie komen allerlei religieuze sekten op die onder de desperate bevolking volgelingen weten te vinden. Er vindt een bevolkingskrimp plaats in de Romeinse staat.
Maar dit is nog niet alles want in de gebieden buiten het Romeinse Rijk zijn de problemen net zo groot. In de Germaanse gebieden wordt het groei seizoen ook korter en vaak is er een gebrek aan voedsel en veevoer. Een vooral natter klimaat met lange strenge winters heeft zijn intrede gedaan, eigenlijk al eerder dan de problemen in het zuiden.
Tekenend voor deze situatie is, dat in het noordelijk kwelder gebied in deze periode de terpen voortdurend worden verhoogd en uiteindelijk voor een deel worden verlaten!
Groepen Germanen trekken al regelmatig naar het zuiden waar zij een constante druk uitoefenen op de Romeinse grenzen.
Ver weg in oost Azië, is het in het Chinese rijk ook redelijk in de war met het klimaat. De steppen verdrogen en verliezen hun draagkracht voor de bevolking die er leefde, terwijl in China wateroverlast aan de orde van de dag is. Het gevolg is veel oorlogen om het kale bestaan. Uiteindelijk trekken de Hunnen naar het westen waar ze op groepen Germanen en Scythen stuiten, die in deze tombola van vluchtende volken ook weer verder westwaarts trekken en de grenzen van het Romeinse Rijk doorboren.
In het Romeinse Rijk waar alles tezamen komt, is geen deugdelijk bestuur meer, het keizerlijke gezag is zwaar ondermijnd. Op het platteland en 's avonds in de steden is het lang niet veilig meer, veel desperate bendes scharrelen op deze wijze hun kostje bij elkaar. Hoe moet men het tij keren?
Hoe konden de Goden dit toelaten, de magie van de oude religie lijkt te zijn uitgewerkt. Het is tijd voor iets nieuws!
Natuurlijk is dit fysisch determinisme niet als de enige dader bepalend voor de neergang en ellende. Het incompetente bestuur en verkeerde beleidskeuzes in het heden en verleden zijn ook grote factoren van belang. Een samenleving bestaat uit vele basis voorwaarden, iedere schakel wordt ook weer beïnvloed door de andere tot een zeker evenwicht. Iedere verandering van een schakel heeft zo dus gevolgen.
De geschiedenis is nu de beschrijving van deze gebeurtenissen in hun gang naar het nieuwe evenwicht.

De Romeinse politieke aanpassingen, als reactie op de interne problemen.

Het Romeinse Rijk dat nu ruim 5 eeuwen bestond, maakte als gevolg van voorgaande oorzaken een zware crisis door. Hongersnood en mede als gevolg daarvan epidemieën, braken de interne cohesie van de bevolking in hoog tempo af. Groepen desperate mensen maakten de samenleving onveilig om zelf te overleven. De staat was niet meer bij machte om hier adequaat op te reageren. Het gevolg was een grote interne chaos en een zeer hoge inflatie. De vicieuze cirkel omlaag was alles overheersend en sloeg vanzelfsprekend terug op de staats macht.
De ene na de andere keizer kwam en verdween weer van het toneel, soms zelfs meerdere tegelijk. Deze paleis- revoluties gingen gepaard met moord en burgeroorlog als de heren de Romeinse legioenen gingen gebruiken voor hun persoonlijke ambities. Binnen de samenleving werden er ook allerlei groeperingen gezocht en gevonden die de schuld kregen van de misstanden, waaronder een groepje christenen, die sinds de 2e eeuw zich had gevormd in het Romeinse Rijk als een van de vele oosterse sekten. Dat deel van de wereld was immers ook aan het Rijk toegevoegd.
Het effect van de aanvallen van de buiten de rijksgrenzen wonende volken was dan ook voornamelijk te wijten aan het interne gekrakeel. Dat bovenstaande uitspraak juist is blijkt uit het feit dat als er tijdelijk een krachtdadige keizer de macht had, hij in staat bleek om de zaak te consolideren en de invallers te verdrijven. Na zijn opvolging was het vaak weer terug bij af. Sterke keizers hadden ook minder vaak behoefte aan zonde bokken en waren meer probleem oplossend bezig.
Keizer Constatijn gaf de christenen en andere sekten in het jaar 313 godsdienst vrijheid. Waarom deze ogenschijnlijke omkering van de te volgen politiek?
In de afgelopen eeuw, waarin vervolgingen van onder andere de christenen plaats vonden, te midden van een ruwe en onveilige maatschappij, waar een kleine groep rijken de grote massa's schandalig uitbuitte. De bevolking leefde zonder doel en of vooruitzicht op een betere situatie voor hunzelf. Iedere affectie met hun eigen staat was voor de burgers verloren gegaan. Deze omstandigheden waren een goede voedingsbodem voor het ontstaan en de groei van allerlei religieuze sekten, waaronder de christenen. Bij deze groepen gelijk gestemden vond men steun in een vervreemde omgeving, bovendien beloofden sommigen van deze sekten, in een hiernamaals een tijd van honing en bloemen.
Sommige heersers in het Romeinse Rijk waren doordrongen van de problemen, en zochten mogelijkheden om de situatie te veranderen en zo weer grip te krijgen op de samenleving. Soms gaf men de oude religie een oppepper in de vorm van feesten. Een andere keer probeerde de keizer een bepaalde groep de schuld in de schoenen te schuiven en vervolgde de leden die eindigden aan het kruis of in het circus Maximus, voor de allang niet meer zo hongerige leeuwen.
Keizer Constantijn echter wilde zijn plannen, die hij steevast door de senaat gedwarsboomd zag, conservatief als die was, met behulp van hechtere groepen in de samenleving tegenover de senaat doorvoeren. De christenen waren van deze groepen het meest hiërarchisch bestuurd en omvatte reeds 10 % van de bevolking uit werkelijk alle sociale lagen. Om dit te bereiken gaf hij de christenen godsdienst vrijheid. Andere groepen die hem wilde steunen verkregen dat echter ook.
Keizer Constatijn, die later het predicaat 'de grote' kreeg opgespeld, lukte het om enige verbeteringen in het Romeins staatsbestel te bewerkstelligen. De kerkelijke leiders en christenen uit de hogere klassen werden nu tandenknarsend door de oude senaatsadel geaccepteerd in de senaat. Nu de christenen vrijheid van godsdienst hadden verkregen, groeide hun aantal gestaag maar het bleef een minderheidsgroep. Met hun actieve houding werd de tegenwerkende senaat niet meer het grote struikelblok om de algemene situatie in het rijk te verbeteren, in ruil hiervoor ontving de jonge christelijke kerk medewerking bij hun ontwikkeling.
Door dit succes in aanpak van de crisis in Rome waarbij men voordeel ondervond door de samenwerking met de jonge christelijke kerk, ging men verder met het ontwikkelen van een aantal beleidslijnen, ook weer met betrekking tot die kerk.
De heersers keken hiervoor voornamelijk naar andere aspecten dan het geloof van deze jonge christelijke sekte;
Ten eerste zou de kerkelijke hiërarchie een mooie controle basis kunnen zijn over de bevolking, want zijn normen en waarden pasten bij een gewenste sociale opbouw van de staat.
Ten tweede zou de belofte van een beter leven na de dood een mooi machtsmiddel kunnen zijn om de gelovige zijn plaats in de hemel in dit aardse leven te laten verdienen, uiteraard tot meerdere eer en glorie voor de staat. Bij de oude religie was hiervan geen sprake.
En als derde zou de kerkelijke mystiek, gecombineerd met staats aangelegenheden een mooie nieuwe broodnodige dynamiek geven om uit het oude ingesleten spoor te geraken.
In wezen veranderde de positie van de gewone burger niet, hij werd niet verheven, maar met rust in het rijk en daardoor meer voedsel en minder ziektes was hij wel veel beter af. De nieuwe god scheen dus machtiger dan de oude goden. Na een aantal decennia van bescheiden groei van het christelijke aandeel in de bevolking werd stap twee genomen door keizer Theodosius in het jaar 392, die in tegenstelling tot keizer Constantijn zelf wel christen was.
De problemen in de staat waren nog lang niet allemaal opgelost, waaronder een vrij lege staatskas en een steeds meer toenemende tegenwerking van de oude religieuze tempelheren. Stap twee bestond uit de volgende zaken:
1) De christelijke kerk werd de enige staats godsdienst en vervulde zo ook een functie in het bestuur van het Romeinse Rijk.
2) De bezittingen van de soms zeer rijke oude tempels werden naar de staat (keizer) overgedaan, zodat de staatskas een gulle injectie kreeg en een broeinest van weerstand werd op deze wijze opgeruimd.
3) De fundamentele door god gegeven macht op aarde aan de keizer en bevestigd door de kerkelijke hiërarchie, gaf een extra zwaarte aan het keizerlijke ambt.
Maar de te ver doorgeschoten interne zwakte van het rijk en het grote schisma tussen het oost en west Romeinse Rijk, mocht het allemaal niet meer baten. Het West Romeinse Rijk viel onder de druk van de invallende Germanen.

De ontwikkeling van het Brits Keltische Christendom.

Er is iets vreemds aan de hand met Brittannië. De eeuwenlang verdedigde stelling dat de Kelten door de Romeinen zijn verdreven naar de uithoeken van de Britse eilanden vertoond dikke barsten. De verdeling van de Brits Germaanse stammen, de " Angelsaksen" genaamd in het zuidoostelijk deel tegenover de Brits Keltische stammen aan de west en noord kant, blijkt al vanaf de eerste bevolkingsontwikkeling van de eilanden te bestaan en heeft niets te maken met de Angelsaksische invasies uit de 4e en 5e eeuw of met de Romeinse inval.
De bewijzen hiervoor zijn veelvuldig; Julius Caesar hield in zijn boek 'de Gallische oorlogen' al een betoog over de stammen aan de overkant van de oceaan, dat zij dezelfde stammen waren in taal en cultuur als die in Belgica. Belgica is het noordelijke deel van zijn veroverd Gallisch gebied tegen de rivier de Rijn aan, dus Germaans. Verder noemt hij bij de verovering van Brittannië geen enkele maal, de druïdes, die hij wel luidt en duidelijk opvoert bij de veldtochten door het zuid westelijk deel van Gallië. Dit natuurlijk tot meerdere eer en glorie van hemzelf, als de veldheer die zich niet laat afschrikken door boven natuurlijke machten. De eerste Romein die druïdes tegenkomt is Suetonius Paulinus, die hun bolwerk op Angelsey in noordwest Wales aanvalt in het jaar 60 na de jaartelling. Hij onderneemt deze actie om de aanhoudende steun uit deze hoek te stoppen aan de opstandige Britse stammen binnen het Romeins gebied.
Het tweede bewijs komt van de geneticoloog Stephen Oppenheimer, die op basis van DNA betoogt dat de scheidslijn al duizenden jaren eerder bestond en dat de Keltische gebieden grote overeenkomsten te zien gaven in DNA met Bretagne en Spanje. Het DNA materiaal van de voormalige Romeinse Britse provincie, het latere Angelsaksisch gebied vertoont zeer veel overeenkomst met de zuidelijke Noordzee kust gebieden. Een nog sterkere overeenkomst vond hij in de Noord Nederlandse kustvlaktes tot aan de Elbe monding. Stephen Oppenheimer wees ook op het feit dat de Angelsaksische invasies van de 4e en 5e eeuw voor slechts maximaal 20% nieuw DNA toevoer heeft gezorgd.
Tenslotte beschrijft Barry Cunliffe in zijn boek "Between the Oceans" het verspreidingsproces van de bevolking van geheel Europa, en komt tot dezelfde conclusie: Het verschil tussen Brits Keltisch gebied en Brits Germaans gebied is van ver voor de Romeinse inval binnen Brittannië.
Deze tweedeling van de Britten is min of meer belangrijk voor het ontluiken van het christendom hier te lande en de ontwikkeling daarvan in het latere West Europa.
Vrijwel vanaf het begin van de Romeinse invasie, zijn er militairen en burgers in Brittannië neer gestreken die er een afwijkende religie op na hielden. Dit blijkt uit sommige tempels en gedenkstenen. In de 1e en 2e eeuw kwam hier ook het christendom bij, vanaf deze tijd vond men er geïsoleerde groepjes christenen in het bezette gebied. Van enige vervolging van deze groep is hier nooit sprake geweest, zoals wel het geval was in Rome, sterker nog, een aantal christenen kwam hier met medewerking van de Romeinse overheid naar toe om aan vervolging te ontkomen. Hier in Romeins Brittannië ontstond een rudimentair hiërarchisch systeem, onder leiding van een soort bisschop. Deze 'bisschoppen' waren meer de eersten onder hun gelijken, in tegenstelling tot het bisschoppen systeem van de kerk in Rome waar de hiërarchie vele malen sterker was. De christenen in Romeins Brittannië voelden zich omringd door barbaren en hielden er een mystieke godsdienstige manier van leven op na met hun kleine verspreid levende groepen. Sommigen volgden hun opleiding in Rome, en het latijn en de bijbel speelden al een grote rol. In latere tijden in de 4e eeuw verbreiden de kloosters zich ook buiten de grenzen van het rijk en vestigden zich in Keltische gebieden. De later heilig verklaarde Ninian was de eerste in het jaar 397 met een missiepost in Whithorn, het huidige Schotland.
De oude Kelten en Germanen waren in wezen diep religieuze mensen, die zich bedienden van mondelinge overlevering in de vorm van mythen en riten. Maar hun geloof was in het nadeel omdat het zich niet bediende van een geschreven leidraad. De christelijke religie bediende zich van het schrift, het latijn, en had daardoor een duidelijker structuur. De nieuwe christenen in Keltisch gebied combineerden beide zodat veel oude verhalen met een nieuw christelijk sausje werden overgoten en andere niet in hun kraam te pas komende mythen werden doodgezwegen. Dit is de oorzaak dat er zeer veel heiligen, of in veel latere tijden heilig verklaarde monniken, een lawine aan wonderen verrichten die zeer goed zouden passen in de oude religie. Zelfs eeuwen later was het in de gevestigde christelijke kerk normaal om een hardnekkig geloof in een oude dorps god, deze oude heidense figuur te koppelen aan een reeds lang gestorven monnik die op deze wijze heilig werd verklaard en het dorp weer vrij was van heidense smetten.
De andere voor de christenen positieve stimulans was dat de druïdes van de Keltische gebieden de christelijke leer langzamerhand incorporeerden in hun eigen mystieke groepering. Om druïde (m/v) te worden werd je uitgekozen, waarna een studie of training volgde van 20 jaar. Deze opleiding was nodig aangezien alle kennis, wetten en verhalen, mondeling werden doorgegeven. Het schijnt dat de druïdes veel belangstelling aan de dag legden voor nieuwe zaken. De Griek Hippolytus (3e eeuw) schreef dat de druïdes de leer van Pythagoras en andere ideeën bestudeerden. Strabo, een andere Griekse geleerde schreef hun toe dat zij (de druïdes) belangstelden in morele filosofie en natuur filosofie. Terwijl we van Julius Caesar weten dat deze mensen de hemellichamen en het wezen van de aarde bestudeerden.
De druïdes stonden dus over het algemeen open voor nieuwe zaken, echter de meeste berichtgevingen omtrent de druïdes komen tot ons via verdachte vijandige reporters!
De druïden namen uit het latijn en de oude geschriften hun keus en gebruikten deze nieuwe verworvenheid. Hierbij schoven zij zelf in de richting van de christelijke leer en stichten net als vroeger scholen, nu kloosters geheten en bekleden zij nu als abt, dezelfde functie in de Keltische samenleving.
Door deze redenen was er bij de Brits- Keltische groep een verandering in de religie gaande die geen revolutie genoemd mag worden. De druïdes bekleden een intermediaire functie tussen de goden wereld en de mensen wereld, en die functie veranderde niet noemenswaardig, maar dit was echter niet alles, zij waren wetbewaarders, geschiedkundigen en geneesheren. Ook fungeerden de druïdes en later de abten, als raadsheren van de stamhoofden en als diplomaat tussen de verschillende stammen. Zij konden net als barden vrij reizen, zelfs tussen stammen die met elkaar overhoop lagen, en zo overleg plegen en op deze wijze oorlog en vrede beïnvloeden.
Deze ontwikkelingen aan de rand van Europa zorgde voor een eigen christelijke kerk, zonder de geijkte hiërarchische structuur zoals die in Rome wel bestond. Net zo min als er een opper druïde bestond had men ook geen behoefte aan een overkoepelende aarts bisschop als baas. Pas in het jaar 664, bij het concilie van Whitby zouden deze zaken meer in de richting van Rome geduwd worden.
Resumerend kunnen wij de volgende zaken opmerken, waarom de oude religie zo ogenschijnlijk gemakkelijk kon veranderen in een christelijke religie;
Ten eerste was er de in een vorig hoofdstuk genoemde terugslag in het klimaat, die mede het Romeinse Rijk in moeilijkheden bracht. Deze terugslag had ook gevolgen voor de Keltische gebieden, er ontstonden hongersnoden en er kwamen epidemieën waaronder de builenpest, die soms hele dorpsgemeenschappen wegvaagde.
Met onze huidige kennis weten wij de oorzaak maar deze mensen stonden voor een raadsel, in hun ogen was het een godsgericht.
De kloosters die in het land waren opgericht op vaak de meest afgelegen plekken werden in hun ogen nauwelijks door dit godsgericht getroffen, dit had voornamelijk te maken met hygiëne en afgezonderdheid. Maar in de volkse mening was het duidelijk dat de god van deze monniken veel beter en machtiger was dan hun eigen goden, die de ellende over hen had afgeroepen.
Ten tweede verschaften de druïdes zich onder anderen via de vroegste christenen en de kerkelijke kanalen, aan een schat van in het latijn geschreven kennis, waarmee zij zich in status verhoogden en het initiatief namen om een klooster te beginnen en op deze wijze hier een afwijkende vorm van het christendom te vestigen. De druïdes uit de oude religie namen nu het voortouw om de religie om te vormen naar het christendom.
Bovendien viel na de val van het Romeinse Rijk de communicatie met Rome voor een belangrijk deel weg en kon de Ierse kerk zich zelfstandig ontwikkelen in een los verband van kloosters met hun abten.
Tot slot; de kale kruin oftewel de 'tonseur' is een aloude druïde haardracht, die de monniken in de Keltische gebieden 'overnamen'. Deze gewoonte raakte hierdoor verspreidt over de rest van Europa, als een afspiegeling van de oude religie.

De opbouw en ontwikkeling van de Frankische Staat.

De verzuchte kritiek van de oude senaat op keizer Constatijn, dat hij veel te veel Germanen opnam in zijn legers, was op werkelijkheid gebaseerd. Hij moest het rijk weer consolideren en gebruikte hierbij een groot leger, de beschikbare Romeinen waren dun gezaaid. Tevens gaf het verlichting aan de grens als je de vijandige Germanen in je eigen grens verdedigingssysteem kon in zetten. Deze tactiek werkte goed, dus de kritiek verstomde grotendeels door het positieve resultaat. Maar er was een keerzijde die zich spoedig zou openbaren!
De al genoemde terugval in klimatologische omstandigheden had voor de Germaanse wereld ook zijn negatieve gevolgen, hun omgeving nam af in draagkracht om de bevolking te kunnen voeden. Van oudsher waren de voornamelijk vee houdende stammen al erg beweeglijk, zij vestigden zich nabij hun weide gebied en bleven zelden vastgeplakt aan een en hetzelfde gebied. Door de starre grens met het Romeinse Rijk kwam hier abrupt een einde aan. Deze totaal vreemde cultuur met zijn geoliede legioenen was onverbiddelijk.
De Germanen met hun woeste ongestructureerde manier van oorlogsvoeren hebben hier en daar wel eens een succesje geboekt, soms zelfs hele grote, zoals de slag in het Teutoberger woud, waarbij de Romeinse bevelhebber Varus drie hele legioenen en zijn eigen leven verloor, of de aanval in het Baduhenna woud door de Friezen. Dit alles had niet geleid tot de Romeinse nederlaag, daarentegen kregen zij wel een heilig ontzag voor deze woeste vechtmachines.
Met het toenemen van de interne problemen door enerzijds verminderde draagkracht van het milieu en anderzijds allerlei andere instromende volkeren in het Germaanse gebied, werd de druk op de Romeinse limes opgevoerd zodat deze bezweek.
De binnen stromende Germaanse groepen in het noordwestelijk deel van het Romeinse Rijk zouden spoedig de verzamel naam 'Franken' krijgen, zij bestonden uit verschillende stammen die deels al in de Romeinse legioenen waren opgenomen geweest als huurlingen. Er volgde een periode van kleine potentaatjes die elkaar bevochten om zo hun eigen rijkje te stichten of te vergroten ten koste van de buren. Een van de meest succesvolle heersers was Clovis, die door een orgie van moord, broedermoord, omkoping oorlog en huwelijksbanden de boventoon ging voeren. In het jaar 486 nam Clovis het noordwestelijk deel van het Romeinse Gallië over door zijn overwinning op de Romeinse generaal Syagrius. Deze Clovis stond aan het begin van het huis van de Merovingers, die de macht over de Franken stevig in handen kreeg en deze gestaag uitbreidde. Het christelijk geloof waar deze Franken al wel van hadden gehoord door hun Romeinse periode, was over het algemeen niet hun religie, uitzonderingen daargelaten. Pas later bij het consolideren van het Frankische rijk in het jaar 497, kwamen de machthebbers op het idee om het als enige godsdienst in hun staatsbestel op te nemen. Dit vanwege de grote voordelen die het opleverde (al benoemd bij de Romeinse situatie) en de inmiddels in de christelijke kerk van Rome gevestigde hiërarchie als blauwdruk te gebruiken voor de staatkundige opbouw van het Frankische rijk. Het feodale systeem, een hiërarchisch vazallen leenstelsel, werd nu onherroepelijk ingevoerd, in plaats van het lossere voormalige Germaanse 'gefolgschaft' systeem, dat meer vrijblijvend op geschenken en trouw was gebaseerd. Het kerkelijk hiërarchische systeem kreeg vervolgens ook een plaats binnen het Frankische staats bestel na het aannemen van deze godsdienst. Nu moesten de Frankische onderdanen zich richten naar de sterke arm van Konings krijgers en naar de geestelijke druk van de kerk. De homogeniteit die aldus werd opgebouwd gaf de Frankische koningen een betere machtsbasis dan de meeste van zijn buurlanden.
De hofmeier Karel Martel zette het beleid van zijn Merovingerse voorgangers in versterkte mate door van de incorporatie van het christendom in de Frankische staat. De Karolingers, zo heten de nazaten van deze Karel Martel, gebruikten de godsdienst werkelijk in alle geledingen van de maatschappij, met als doel om invloed en macht over hun onderdanen te verkrijgen. Niet alleen hun eigen onderdanen werden hier aan bloot gesteld, maar ook van naburige volkeren op wiens gebied de Franken hun begerige oog lieten vallen. De Friezen konden hier over meepraten, dat deze opzet het leven van een oude narrige bisschop kostte was bijzaak. Bonifatius was de uitgelokte aanleiding om deze kuststrook bij het Frankische rijk te voegen. Deze predikers werden op pad gestuurd met een Frankische vrijgeleide en een bewapende escorte ter bescherming. Deze tweedracht zaaiende predikers moesten de weerstand afbreken tegen Frankische inmenging en invloed.
Het valt op dat de meeste predikers uit de Brits-Keltische kloosterordes afkomstig waren. Dit had een aantal redenen; zij waren bedreven in de prediking die zij al eeuwen in eigen contreien beoefenden en daarnaast zou een Frankische prediker al direct als een spion te boek staan van een agressieve Frankische natie in de bedreigde omringende gebieden. De belangrijkste reden is echter dat deze Brits Keltische monniken door de Franken werden aangetrokken om de Frankische staat te christianiseren. Buiten een hoge geleerdheid bezaten zij ook veel diplomatieke vaardigheden. Deze monniken werden veelvuldig in de raad van wijze mannen benoemd, die de Karolingische koning terzijde stond. Doordat zij in geleerdheid de starre Roomse collega's overtroffen, kan gesteld worden dat zij de christianisering van geheel west Europa pas goed op gang brachten.
De monnik Alquin is hiervan een tot de verbeelding sprekend voorbeeld, van hem is er een brief aan Karel de Grote bekend die de positie van Karel aangeeft ten opzichte van de kerk:
"Onze heer Jezus Christus heeft U aangesteld als heerser over het christelijk volk, in macht groter dan de Paus of de keizer van Constantinopel, in wijsheid meer onderscheiden en in eer van de macht meer subliem. Van U alleen hangt de hele veiligheid af van de kerken van Christus."
Een aantal zaken vallen op, de paus die Karel tot keizer moest kronen staat lager in de hiërarchie. Vroegere koningen vervalsten hun stambomen zodanig dat zij afstammelingen van de goden leken. Maar hier wordt de keizer aangesteld door God als zijn zetbaas op aarde, dit kan geen mens meer veranderen of in twijfel trekken. De keizer of koning is dus niet meer persoonlijk verantwoordelijk voor misfortuin of misoogsten, dit is in het vervolg een actie van de duivel. Bij de oude religie werden deze zaken op het persoonlijke conto van de heerser geschreven, en bij te veel onfortuin verloor hij zijn aanzien. De koning had zijn geluk bij de Goden verspeeld en dus werd er een ander aangesteld. Zijn 'gefolgshaft' liep bij hem weg.
De tweede zaak die uit dit schrijven blijkt is verder dat de keizer ook de verdediger van het pausdom is tegen de bevolking, tegen andere heersers, tegen de Moren en tegen het Byzantijnse rijk. Maar ook zeker tegen alle heidense volkeren, zoals de nog niet overwonnen en bekeerde Germaanse volkeren en de Slavische volken verder in het oosten van Europa. Hieruit putten de Franken de legimitatie om hun rijk uit te breiden en op te bouwen, min of meer naar eigen goeddunken. Een legitimatie die ze zelf hebben binnen gehaald met hun aanname van de christelijke kerk.
Hoe het een en ander in zijn werk ging zou te ver voeren en valt buiten het beoogde onderwerp dat in dit artikel wordt onderzocht en uitgeplozen; namelijk de christelijke kerk als machtsmiddel in handen van de heersers.

De vroege kerk en hun plaats in de samenleving.

Het ter discussie stellen van de christianisering als uitbreiding van het ware geloof en dus het in twijfel trekken of die verspreiding voortkwam uit de vurige vlam van religieuze gevoelens is een beetje vloeken in de kerk. Maar als wij nu eens aannemen dat er toch nog andere drijfveren een rol zouden kunnen spelen, dan moeten wij toegeven dat er veel dwingender redenen zijn aan te wijzen voor de opkomst van het christendom dan alleen het geloof. Overigens komt de berichtgeving over het gehele proces van deze religieuze transitie uit zeer verdachte en eenzijdige bron, namelijk alleen van de volgelingen van deze nieuwe christelijke religie zonder een weerwoord van de oude religie, die vervolgens in een zeer kwaad daglicht is komen te staan.
Volgens de sociale wetenschappen heeft een religie twee basis functies (Malinowski en Durkheim);
Ten eerste is het bedoeld om verklaringen te geven en zijdelings indirecte macht uit te oefenen over zaken die buiten de normale controle van de mensen vallen.
Ten tweede versterkt het de sociale structuur en de normen en waarden van de groep mensen met dezelfde religie in hun omgeving.
Vervolgens zijn er nog een aantal bijzaken van belang. Mensen maken hun goden naar hun eigen evenbeeld, en de godenwereld is een afspiegeling van de samenleving waarvan het een product is.
Alle facetten van die samenleving hebben een plaats in de religie en de religieuze activiteiten worden sterker en uitgesprokener in tijden van spanning en crisis.
Tot nu toe hebben wij de situatie van de vroeg christelijke kerk behandeld vanuit het gezichtspunt van de diverse betrokken wereldlijke staten, het wordt nu tijd om van uit de kerk zelf de zaak te beschrijven. Na de prille vorming van het christendom als een van de vele sekten, kreeg het in de loop van de geschiedenis een meer gestructureerdere vorm. Het christendom nam een duidelijk strak hiërarchische opbouw aan onder de bezielende leiding van een paus. Er werd in deze eerste eeuwen voortdurend gesleuteld aan de inhoudelijke basis van de ware geloofsrichting. Er zijn drie hoofd redenen aan te wijzen die er voor zorgde dat het christelijke geloof in deze eerste eeuwen van zijn bestaan uiteindelijk de enige godsdienst van Europa werd:
1) Het christelijk geloof is een erg toegankelijk geloof, iedereen uit alle sociale geleding kon toetreden. Dit was een groot verschil met de andere sekten, waarin de leden vaak aan enige voorwaarden moesten voldoen.
2) De strakke hiërarchische opbouw bevorderde de eenvormigheid van het geloof over het gehele verspreidingsgebied. Veel van de inspanningen van de bisschoppen was ook gericht op dit doel, daarmee versterkten zij de controle over de gelovigen.
3) De verbinding van de christelijke religie met de diverse wereldlijke staten leverde de uit eindelijke doorslag. De concurrenten werden verboden en het christendom werd de staats godsdienst.
In deze aldus gevormde theocratie, was het doel van de vele pausen om uiteindelijk de totale macht naar zichzelf toe te trekken en de wereldlijke heersers onder hun suprematie te brengen, maar in de eerste eeuwen van de opbouw van de kerk was deze paus echter geheel afhankelijk van de donaties en goede wil van de wereldlijke heersers die in ruil hiervoor steun kregen bij het vormen van de door hun gewenste sociale gedrag van hun onderdanen, en de opbouw van de nieuwe staat. De pausen waren bij een conflict met een wereldlijk heerser altijd afhankelijk van de steun van een andere wereldlijke koning of keizer, zelf hadden zij niet de beschikking over voldoende militaire macht. Ook was de bisschop benoeming vaak in handen van de koning, die daardoor ook de touwtjes stevig in handen hield.
In feite was het christelijke Europa een bedreigde enclave, omringd door Moren, Hongaren, Slaven en Vikingen. Geen van deze groepen lukte het om een totale verovering klaar te spelen, echter Europa bleef wel het achterlijke broertje van het eveneens christelijke Byzantium. De wetenschap en rijkdom van veel buren overtrof die van het middeleeuwse West Europa. Hier komen de bijzaken van Malinowski en Durkheim om de hoek kijken, in deze bedreigde enclave ontwikkelde zich het christendom met een beklemmende greep op de bevolking en de ontwikkelingen van het totale gebied. De meeste voortgang kwam voort uit de benedictijner kloosters, als brandpuntjes van vernieuwing en onderwijs. Iedere particuliere voortvarendheid onder de bevolking werd door de kerkelijke beperkingen met hel en verdoemenis af geserveerd. Pas in de late middeleeuwen, nadat de grootste bedreigingen waren verdwenen voor Europa en de kerk zelf een uitgebouwde rijke machtsfactor was geworden, ontbrandde de macht strijd tussen de paus en de wereldlijke machthebbers. De situatie was echter veranderd want de Burgerij was een factor van belang geworden, en aangezien het pausdom nog steeds geen eigen legers bezat was de uitkomst in het voordeel van de wereldlijke macht. Sterker nog, de kerk raakte zelfs in de versukkeling van de reformatie, maar dat is een heel ander verhaal.

De conclusies;

Na een in de eerste eeuwen van hun bestaan een opportunistische samenwerking met de wereldlijke machthebbers, zien de kerkleiders hun instituut groeien tot ongekende omvang. In dit licht bekeken is het logisch dat ze zichzelf aan de top van de macht piramide proberen te plaatsen. Een beschrijving van deze machtsstrijd is hier niet op zijn plaats, aangezien hier geprobeerd wordt de beweegredenen van de diverse heersers te peilen, die hebben geleidt tot de algehele invoering van het christendom. Ook de duidelijke aanwijzingen dat deze invoering met de geloofsovertuiging niets te maken heeft gehad, maar dat overwegend staatkundige overwegingen een rol hebben gespeeld zullen worden aangetoond.
1) Het was zeker geen door de inhoud van de geestelijke boodschap uitgemaakte zaak, dat de christelijke sekte van de vele tientallen sekten in de eerste eeuwen van de jaartelling het zou schoppen tot een der grote wereld godsdiensten. Deze uitverkiezing was het gevolg van hun hiërarchische opbouw en de mogelijkheid dat te benutten voor staatkundige belangen.
2) De Romeinse keizer, Constantijn de Grote, gaf in het jaar 313 als eerste de aanzet om de christelijke sekte te bevoordelen, wat uiteindelijk zou leiden tot het verheffen tot staats godsdienst. Hij deed dit om het machtsevenwicht in de Romeinse Senaat in zijn voordeel te doen omslaan. Constatijn zelf bleef een aanhanger van de uit Egypte overgewaaide zonnecultus.
3) In het jaar 392 verhief de christelijke keizer Theodosius, de christelijke religie tot staats godsdienst. Hij werd hiertoe aangezet om de macht van de vele oude conservatieve tempels te breken, die oppositie voerde tegen zijn beleid. Een bijkomend voordeel van het opdoeken van deze tempels was dat de vele rijkdommen vervielen aan de keizer, een financiële opsteker voor de bijna permanent lege staatskas.
4) Door de leergierigheid van druïden uit de Keltische gebieden, kwamen zij in contact met het latijn en Grieks en incorporeerden zo de bijbel en vele andere boekwerken over de meest uiteenlopende zaken. Hieruit ontstond de Iers/Keltische variant op het christendom. Deze variant zou na de val van het Romeinse Rijk de christelijke invloed verder dragen naar het Frankische rijk.
5) De Franken die de oude Germaanse religie aanhingen gingen pas over naar het christendom toen Clovis besloot dat zijn Frankenrijk een christelijke natie zou moeten zijn, zodat de machtsopbouw die door hem in gang was gezet, werd bekroond met een massale verplichte bekering en daardoor een bestendiging van de interne cohesie binnen het rijk.
6) Ook de Frankische heersers van latere datum bedienden zich ongeremd van kerkdienaren en predikers om hun staatszaken te regelen in binnen en buitenland. Dit konden zij ongestraft doen aangezien hij de beschermer van het pausdom was en als zodanig een grotere invloed op de kerkelijke gang van zaken had dan zelfs de paus.
7) De oude Germaanse legitimatie van het koningschap werd vervangen door de christelijke versie waarbij het volk en de hogere onderdanen buitenspel werden gezet bij hun invloed over het koningschap.
8) In het verdere verloop van de geschiedenis is de overgang van alle Noordse Germaanse volkeren zoals; Friezen, Saksen, Denen, Noren enzovoort van de Germaanse naar de christelijke religie altijd een dwangvraagstuk. De koning beslist en zijn onderdanen zijn gedwongen te volgen. De ware beweegredenen liggen altijd bij de koning, zijn beleid, mede ten opzichte van het buitenland. Zo is deze 'top down' bekering duidelijk niet gestoeld op religieuze gronden van de bevolking, maar op economische en staatkundige zaken.

Ondanks de voorgaande conclusies zullen er van al deze actors uit het verleden een aantal zijn die uit pure geloofsovertuiging hun deel speelden in de opgang van het christendom. Velen zullen deze reconstructie van hun eigen tijd niet hebben kunnen onderkennen, zij zijn slechts een radartje in het geheel. Wij mensen zien toen en nu slechts waartoe wij zijn geprogrammeerd door de ons omringende samenleving.
In de in dit artikel behandelde tijdsspanne was het zelfs zeer gevaarlijk en onverstandig om een dergelijke stelling te poneren. Er waren heksenprocessen gevoerd voor veel onschuldiger zaken, en toch was de brandstapel vrijwel altijd de strafmaat.
De onderdanen moesten in het gewenste keurslijf geperst worden en vrijdenkers hoorden hier niet in thuis......
Waarvan acte!